Home

Tot nu toe heb ik maar een islamitische vriend gehad in mijn leven. Nou ja, islamitisch kon je hem niet echt noemen; hij was een Nederlandse Marokkaan die zich Joseph noemde en had gebroken met zijn familie. Hij was gestopt met studeren, werkte in de culturele studentenvereniging waar ik destijds lid van was achter de bar, en deed alles wat zijn strenge vader verboden had; alcohol drinken, omgaan met Nederlandse meisjes en niet naar de moskee.

Hoewel hij regelmatig bij mij in mijn eenpersoonsbed heeft geslapen, heeft hij me nooit met een vinger aangeraakt, ook al wist hij dat ik bij vlagen vage verliefdheidsgevoelens voor hem koesterde. Grote neuzen en donkere ogen hebben wel vaker dat effect op me en bovendien konden we heel intiem rondhangen met zijn tweeën. Ik herinner me een indrukwekkende en leerzame kerstavond die we samen doorbrachten, elkaar vertellend over de rituelen uit onze jeugd.

Hij wilde me tegen zichzelf beschermen heeft hij weleens gezegd. Hij zat in een permanente zijnscrisis en wilde mij niet aandoen daarmee te moeten dealen. Bovendien zouden mijn ouders niet blij zijn als ik met hem thuis zou komen, voegde hij er aan toe. Dat hij in feite schulden had, dakloos was en er een harem aan vriendinnen op na hield om verzekerd te zijn van warm eten en een bed, kwam dichter in de buurt van de waarheid. Maar dat realiseerde ik me later pas.

Om de zoveel dagen belde hij bij me aan en kwam hij vrolijk kletsend de trap op (ik woonde op een bovenverdieping). Als hij zag dat ik bezoek had, verdween hij weer soepeltjes uit mijn huis, maar als er niemand was en ik vroeg of hij honger had, liet hij zich graag een maaltijd voorzetten, op welk uur van de dag dan ook. Hij werkte ’s nachts, dus voor een uur of twee kwam hij zijn bed niet uit. Vaak ontbeet hij met mijn avondeten, met varkensvlees of niet.

Omdat hij destijds werkte in de studentenvereniging waar ik in het bestuur zat, kwam het heel vaak voor dat we met een stel naborrelden aan Joseph zijn bar. Omdat hij de hele dag geslapen had en tijdens zijn werk niet al te veel kon drinken, was hij meestal nog loei fit en onderhield hij ons met uit zijn hoofd geleerde nummers van Amerikaanse stand-upcomedians. Hij kon Eddy Murphy neerzetten alsof hij zelf een zwarte Amerikaan was.

Uitgelaten rolden we op zo’n nacht de voordeur uit als het al weer licht was, en het kwam zelfs voor dat we daarna nog een louche ‘nachtcafé’ frequenteerden. Zo niet, dan liepen we met zijn tweeën naar mijn woning en ploften daar op de bank voor de tv, om naar oude zwart-witfilms of Johnny Bravo te kijken op die eerste zenders die experimenteerden met nachttelevisie. Joseph leek zelf wel wat op Johnny Bravo, nu ik er over nadenk. Een cartoonfiguur.

In feite had hij zichzelf opnieuw uitgevonden. Hij had gebroken met zijn verleden en met zijn familie, alleen zijn moeder en zussen zag hij stiekem nog af en toe. Hij had geen Marokkaanse vrienden voor zover ik wist. Hij beschikte over een oneindige voorraad oneliners en Amerikaanse grappen, en in zijn legerbroek en strakke zwarte T-shirts, zijn kroeshaar in een ‘crew-cut’, zag hij er uit als G.I. Joe of eerder genoemde Johnny Bravo. Ik denk dat dat zijn rolmodellen waren.

Als hij niet werkte of uitging, las hij Amerikaanse superheldencomics als ‘X-men’, die hij trouw elke week kocht bij de betere boekhandel. Toen hij eenmaal doorkreeg dat ik die ook wel grappig vond, werd mij de eer toebedeeld de stapel van een meter hoog te mogen bewaren in mijn huis. Zo kwamen er van lieverlee steeds meer bezittingen bij mij te liggen. Kleding (die ik voor hem waste). Rollerskates. Fantasyboeken. Niets waaraan je kon zien dat hij Marokkaans was, trouwens.

Omdat mijn toenmalige knipperlichtrelatie weer eens uit was en er een kamer vrijkwam op de verdieping boven mij, kwam het steeds vaker voor dat Joseph bij mij sliep. Ik gaf hem een sleutel zodat hij zichzelf binnen kon laten en mij niet wakker hoefde te bellen als hij na zijn werk thuiskwam. We gingen steeds intensiever met elkaar om en eindelijk begon hij verhalen te vertellen uit zijn jeugd, ‘zijn verleden’, zoals hij dat noemde.

Hij vertelde over vakanties in Marokko, waar hij rondhing met neefjes en ooms en na het eten (of ervoor, dat ben ik even kwijt) naar het badhuis ging op zijn slippers. Zijn oma, de liefste vrouw die hij kende. Zijn moeder, die haar handen gekruist tegen haar wangen sloeg en “Ehwilli, ehwilli!” riep als hij en zijn vriendjes weer eens iets hadden uitgehaald. Dat kon hij trouwens zo geweldig nadoen, dat ik heel vaak vroeg of hij het voor me wilde doen. De blik in zijn ogen was kostelijk.

Hij begon me steeds meer woordjes en gebaren uit de Marokkaanse taal te leren. Toen er in een nummer van Prince een Arabische zin voorkwam op de achtergrond (niet zo’n nette geloof ik, hij leerde de woorden fonetisch aan mij en als ik die hardop riep in een openbare gelegenheid, sloeg hij de hand voor zijn mond en keek snel wie er in de buurt stonden voordat hij in lachen uitbarstte), was hij voor het eerst zichtbaar trots op zijn afkomst.

Maar hij vertelde ook over de Koranschool waar hij elke week naar toe moest en waar hij werd geslagen als hij de tekst niet goed uit zijn hoofd had geleerd. Hij vertelde mondjesmaat over zijn vader, die zo mogelijk nog strenger was dan de koranleraar. De toekomst voor zijn oudste zoon lag onherroepelijk vast en daar kon niet van af worden geweken, uit angst voor de buren. Eer, gewoonte en, wat onze calvinisten wel herkennen als ‘Zonde’; Haram. Alles wat onrein was.

Toen Joseph vaker uitging in de stad met zijn Marokkaanse vrienden, regelmatig aan de deur geweigerd werd bij discotheken, elders dronken werd, in gevechten terecht kwam en van het politiebureau gehaald moest worden, trok zijn vader zijn handen van hem af en gooide hem het huis uit. Zijn moeder stopte hem nog regelmatig wat toe, maar moest daarmee ophouden toen haar man erachter kwam. Hij was hun zoon niet meer.

Joseph ontworstelde zich aan het straatmilieu waar hij toen in terechtkwam. Hij wilde meer dan dealer worden, hij kon goed leren, hij was grappig, hij had grote dromen. Hij wilde dat ze trots op hem konden zijn, zijn moeder, zijn oma, toch ook zijn vader, misschien wel. Maar hij had geen geld. Dus moest hij werken. Hij had zijn opleiding niet af, en alleen achter de bar gaven ze hem een kans. Als hij werkte, kon hij niet studeren. Het was een vicieuze cirkel.

Ik wilde hem graag helpen en gaf hem een tijd lang onderdak en eten. Maar natuurlijk betaalde hij geen huur voor die kamer in mijn huis en kwam de huurbaas met een huurder op de proppen. Ik wilde dat er iets veranderde in zijn leven en ik besefte dat ik zelf de status quo in stand hield, door hem de hand boven het hoofd te houden, samen met de rest van zijn harem. Mijn leven ging verder, ik ging werken en had minder tijd voor hem, en we verloren elkaar uit het oog.

En waar is hij nu, mijn Enige Islamitische vriend? Laatst kwam ik hem tegen op straat. Hij zag er nog precies hetzelfde uit, al had hij zijn haar laten groeien in een ‘afro’. Hij vroeg me van alles, maar toen ik wilde weten hoe het met hem was, moest hij er als een haas vandoor, wegens een afspraak. Ik had hem graag willen uitnodigen voor een hapje eten. Hij zou zelfs kunnen blijven slapen; ik denk dat mijn kleine dat wel gezellig zou vinden.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s