Home

“Wat? Is A. geen stel? Ik bedoel, hij heeft toch iets met? Moet ik met hem koken? Soep of toetje? Maar ik ken hem amper!” Verbijsterd keek ik motorvriendin aan, die net had voorgesteld dat A. mijn kookpartner zou zijn voor haar Kerstdiner.
“Nee, dat schijnt dus al een half jaar uit te zijn. Maar ja, ze zijn al vijftien jaar samen en ze hebben geen ruzie of zo. Dus.”

We waren inmiddels gaan fluisteren, want het onderwerp van ons gesprek stond nog geen twee meter verderop te praten met de motorvriend, die een aantal lege flesjes bier op de bar zette en er volle voor terugkreeg. Verder was de Plupub uitgestorven. Het was er koud, dus wij hadden onze jassen nog aan. Leren jassen, natuurlijk, al was die van mij geen echt motorjack maar een strak gesneden Mao-achtig jasje dat ik van mijn vader had gekregen.

Mijn vriendin had een echt leren motorpak, al had ze het nu niet aan. Het luisterde, zoals in elke subcultuur, nogal nauw wat voor kleding je op de motor (en daarbuiten) aanhad, in deze nogal alternatieve motorclub. Zoals het ook cruciaal was wat voor motor je reed. Regel nummer een voor beiden was: het mag niet nieuw zijn. Motoren zowel als kleding waren oud; het liefst uit de jaren zestig, maar zeventig en tachtig waren ook goed.

De meesten hier reden een Triumpf, een Engels motormerk, maar als je daar nog geen geld voor had, mocht een oude Moto guzzi of BMW ook. Motorvriendin reed een mooie oranje disco-Honda, en haar leren pak paste daar goed bij. Tweetact was goed, geloof ik, maar daar ga ik al een eind buiten mijn paadje. Mannen en vrouwen droegen  oude, korte zwarte leren jacks en natuurlijk het liefst een pothelm (zo een met een leren bandje onder de kin in plaats van bescherming).

Harley Davidson was in deze club ‘not done’, zeker geen nieuwe. Naar mooie oude ‘customs’ werd echter altijd jaloers gekeken en vooral ook geluisterd, omdat ze zo ploffend langzaam stationair konden draaien, meen ik. Dat was trouwens ook de belangrijkste reden om met een heel stel  te gaan rijden, en dan het liefst onder een brug door; het geluid dat die oude motoren met zijn allen maakten ging niet door merg en been maar door maag en darm. Maar dit terzijde.

Inmiddels had A. een reggaemuziekje opgezet en kwam hij al poetsend langzaam dichterbij, dus wij stopten met fluisteren en keerden ons naar hem toe. “Hoe is het met de dames?” vroeg A. terwijl hij onze lege bierflesjes van de bar haalde en er ongevraagd volle voor terugzette. “Deze zijn van mij.” We proostten en A. ging aan zijn kant van de bar bij ons zitten. Mijn vriendin en A. begonnen een gesprek, dat op de een of andere manier binnen de kortste keren over zijn ex ging.

Een leuke eigenschap van de meeste mensen die ik hier had leren kennen, was hun openheid. Niemand nam een blad voor de mond en ‘zeggen waar het op staat’ werd gewaardeerd. Om die reden was je eigenlijk altijd snel in een boeiend gesprek gewikkeld op feestjes en hier aan de bar. Als het niet over motoren of muziek ging, dan had je het over persoonlijke zaken, in plaats van wat- doe je- voor- de- kost. De meeste kenden elkaar ook al heel lang.

Hoewel mijn vriendin nog niet zo lang in deze club rondhing en ik al helemaal niet, vertelde A. in een paar zinnen hoe het met hem ging nadat zijn lange relatie verbroken was. Dat maakte wel indruk op me, weet ik nog. Het klonk allemaal zo volwassen, met ‘Het is voor ons beide beter zo’, en ‘Het ging gewoon niet meer’, en ‘We gaan ieder onze eigen weg’. Ik kende alleen maar ‘Wat een eikel ik snap niet wat ik ooit in hem gezien heb’ als ik een relatie verbrak.

Intussen werd het steeds drukker en warmer in de pub. Grote en kleine brede mannen in zwarte leren jassen kwamen aan de bar zitten en lieten ongevraagd bij iedereen een nieuw flesje bier neerzetten. Het leek net alsof niemand in de gaten had wie er trakteerde, maar ik merkte toch dat de heren me anders aankeken nadat ik een rondje had gegeven, dan daarvoor. De drank kreeg je toch voor inkoopprijs en bier verbroedert, zullen we maar zeggen.

De reggaemuziek was inmiddels verwisseld voor harde gitaren, want ook de installatie was zelfbediening als het ‘personeel’ er geen tijd voor had en reggae kon nog net, maar niet te lang. De lucht werd zwaar van de natte jassendamp en de rook kringelde onder de zwaaiende lampjes boven de bar, die inmiddels vol stond met halfvolle en lege bierflesjes en volle asbakken. Het tostiapparaat draaide overuren want niemand had nog gegeten.

A. had het er maar druk mee, en mijn vriendin en ik hadden de hele week al doorgenomen en de nieuwe relatie van een wederzijdse vriendin besproken, toen hij eindelijk weer bij ons kwam zitten. “Zo, iedereen is voorzien en nu bekijken ze het maar even”, zei hij.

“Zeg, A., ik heb een leuk idee”, begon mijn vriendin, inmiddels lichtelijk aangeschoten en dus enthousiast en overtuigend. “Vriend en ik geven een uitgebreid Kerstdiner, voor wat gezelligheid in de koude, donkere dagen. Iedereen maakt samen met iemand anders een gang.” Haar ogen glinsterden en ik voelde ineens een kriebel in mijn maag. “Wat zou je er van zeggen als je samen met mijn vriendin hier een gang zou moeten koken? Je kunt nog kiezen: soep of toetje.”

Toen A. me aankeek, zag ik geen verrassing in zijn ogen maar een vraag. “Soep of toetje, tja, dat wordt nog een moeilijke. Mijn bardienst is over een half uur afgelopen en dan komt mijn vervanger. Zal ik dan even bij jou komen zitten, dan kunnen we bespreken wat we zullen maken?”

“Prima”, zei ik. “Ik zit hier als je me zoekt.” Maar dat was wat mijn mond zei. Mijn ogen gaven een ander antwoord. Een antwoord op de vraag die in zijn ogen had gestaan. En die ging niet over eten.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s