Home

De vraag is: is deze vrouw sympathiek? (Dit is een afgewezen versie van een verhaal voor een opdrachtgever. Na publicatie zal ik de geaccepteerde versie hier plaatsen. Jullie antwoord heeft alles met mijn veronderstelde ‘autisme’ te maken.)

Lead: Al zes jaar ligt Renskes rijbewijs ongebruikt in een la. Zou ze ooit in haar autootje door Nederland scheuren?

Auteur: Mirjam van Zelst
Fotografie:

Platte tekst:
Een moderne vrouw in haar snelle auto scheurt van hot naar her door Nederland. Drie vriendinnen bij zich, nonchalant een arm uit het raam, zonnebril op de neus. Als het moet, rijdt ze met twee vingers in haar neus (figuurlijk gesproken, dan) de hele dag door, op weg naar dat fantastische hotelletje in Zuid Frankrijk. Of Italië. Ehh. Dream on! Heel lange tijd is dit een fantasie geweest, die nooit waar zou kunnen worden. Dacht ik.
Ik hield gewoon niet zo van autorijden, zei ik altijd. Het was niet echt iets voor mij. Ik riep dingen als: het is vervuilend. Ik kon toch veel beter met het openbaar vervoer? Veel beter voor het milieu. En ik bespaarde mezelf een wekelijkse tocht naar de veel te dure sportschool door in de stad overal heen te fietsen.
Juist, ja; allemaal smoesjes. Toen ik op mijn achttiende van mijn ouders rijlessen mocht nemen omdat dat volgens hen bij de opvoeding hoorde, begon het eigenlijk al: ik baalde als het weer zaterdagochtend was en die lesauto voor de deur parkeerde. Eigenlijk kon ik me nooit op het weekend verheugen, omdat ik eerst die rijles achter de rug wilde hebben. Ik had er echt een hekel aan, ondanks de grappige rijinstructeur.
“Anticiperen kun je leren”, bleef hij optimistisch volhouden, al wist ik na veertig lessen nog niet wat anticiperen was, laat staan dat ik het deed! Ik was een ramp in de auto, al zeg ik het zelf. Het was niet zo zeer het bedienen van de auto wat ik moeilijk vond, maar de interactie met de medeweggebruikers vond ik doodeng. Ik reed zo een bochtje achteruit en ook de hellingproef had geen geheimen voor me. Maar invoegen op de snelweg? Een ramp!
Na een les of vijftig vroeg mijn instructeur toch maar het examen aan, al wilde ik dat niet. “Misschien ben je juist wel heel goed in examen rijden”, zei hij al weer vol optimisme. Met lood in mijn schoenen ging ik naar het examenbureau, en toen we daar na een klein uurtje weer terug waren en de examinator me vroeg “wat ik er zelf van dacht”, wilde ik alleen maar door de grond zakken. Natuurlijk was ik gezakt. Ik durfde niet te rijden!

Het is dat mijn vader, die de lessen betaalde, me dwong om meteen weer verder te gaan met lessen en het volgende examen aan te vragen, anders had ik meteen de pijp aan Maarten gegeven. Voor mij hoefde het allemaal niet, ik ging wel fietsen. Maar ik kon er niet onder uit. Na nog drie verpeste examens (ik overdrijf niet!) vroeg mijn instructeur een speciaal ‘Staatsexamen’ voor me aan. Speciaal voor kneuzen zoals ik.
Hoe ik het gedaan heb, weet ik nog steeds niet, maar voor dat examen slaagde ik gelukkig. Misschien had ik gedurende die honderden lessen (ik overdrijf, maar ik wil niet meer weten hoe veel lessen dit grapje mijn vader gekost heeft) toch een bepaalde routine opgebouwd. Of ik was gewoon onverschilliger geworden, omdat ik dacht dat ik toch wel weer zou zakken. Hoe dan ook; voor mijn vijfde rijexamen ben ik uiteindelijk toch geslaagd.
Ik kan je niet uitleggen hoe blij ik was. Niet met mijn rijbewijs, want dat papiertje kon me eigenlijk niks schelen, maar gewoon dat ik van die rotrijlessen af was. Voorlopig zag je mij niet in een auto! Tenminste, dat was mijn plan. Maar ik had buiten mijn vader gerekend, die natuurlijk wist hoe snel je je rijvaardigheid verliest als je niet rijdt. Het weekend na mijn examen stond hij met de autosleutels naast mijn bed. “Eruit! We gaan rijden!”
Met frisse tegenzin rolde ik mijn bed uit, en na een snel ontbijt stapte ik samen met mijn vader onze auto in. Dat had ik beter niet kunnen doen… Het begon al met wegrijden; ik schampte bijna een auto die voor ons geparkeerd stond. “Sorry, sorry, sorry!” riep ik, en ik wilde al weer uitstappen. “Doorrijden”, zei mijn vader grimmig. “Maar deze auto is veel groter dan mijn lesauto, dat ben ik niet gewend”, piepte ik. “Rijden is rijden”, hoorde ik naast me.
Met bibberende knieën gingen we op weg, en na een minuut of tien ging het warempel redelijk goed. Toen gebeurde het: ik zag een auto van rechts niet aankomen, mijn vader gilde en trok aan het stuur, ik trapte op de koppeling in plaats van op de rem, en we rolden tegen een hoge stoeprand aan, terwijl de andere auto luid toeterde en ons nog net kon ontwijken. Wit van schrik leunden we allebei achterover.
“Kom achter dat stuur vandaan”, zei mijn vader met ingehouden woede, en we wisselden van plaats. Ik zei niks, mijn vader zei niks, en we reden in stilte de kortste weg naar huis. Sinds die noodlottige dag is het woord ‘autorijden’ in mijn buurt niet meer gevallen bij ons thuis. Ik heb het papiertje van mijn rijbewijs opgehaald en ergens in een la gedouwd, waar het zes jaar ongebruikt heeft liggen stofhappen.

Het is niet zo dat ik er nooit aan dacht, dat ik toch echt een rijbewijs had. Het was meer, dat ik op het moment dat ik aan die verschrikkelijke testrit met mijn vader dacht, ik meteen ergens anders aan probeerde te denken. Ik voelde schaamte, en ik voelde me minderwaardig dat ik zo bang was om in een auto te stappen en weg te rijden, zoals miljoenen mensen op aarde konden. En hoe langer ik niet reed, hoe banger ik werd.
Intussen had ik een opleiding afgerond, een vriend en een baan gevonden, en ging ik het ouderlijk huis uit. Milan en ik gingen nog niet samenwonen want we hadden elkaar net ontmoet, maar hij had wel een auto waarin hij me overal naar toe bracht. Ik vond het heerlijk om naast hem te zitten. Hij bood me wel eens de sleutels aan, maar dan mompelde dat ik niet zo’n zin had om te rijden. Ik schaamde me om te zeggen dat ik bang was.
Milan hield juist van autorijden, en hij sleutelde er ook veel aan. Op een middag was hij op de stoep voor zijn huis een auto van een vriend aan het repareren, toen ik bij hem langs kwam. “Jij moet zo even deze wagen aantrekken, dan krijg ik hem wel aan de praat”, zei hij ineens, terwijl hij een kabel bevestigde tussen zijn auto en die van zijn vriend. Ik had toen zes jaar niet gereden en met kloppend hard pakte ik de sleutels. Ik zat klem, nu moest ik wel.
Met zwetende handen ging ik op de bestuurdersstoel van Milan’s auto zitten. “Ik heb al best een tijd niet gereden, hoor”, zei ik met een piepstem. “Ach, je hoeft alleen maar in zijn twee de straat door te rijden”, stelde Milan me gerust. Ik startte de motor, maar ineens raakte ik in paniek. Ik begon te huilen, stopte de motor en riep Milan. Ik schaamde me rot. “Sorry, sorry, sorry”, zei ik tussen de snikken door. “Ik kan helemaal niet autorijden!”
Milan lachte. Het was zijn schuld, zei hij, want hij had me voor het blok gezet. Hij had echt wel doorgehad dat ik een beetje rijangst had; hij had alleen niet geweten hoe verschrikkelijk panisch ik inmiddels was. Hij had gedacht me te helpen door me geen keuze te laten en me zo te laten zien dat ik heus wel kon rijden. Helaas was ik daar nog niet klaar voor. Maar daar moest ik wel wat aan doen, vond hij. Ik knikte. Hij had gelijk.
Het was voor het eerst in zes jaar dat iemand me confronteerde met mijn angst. Mijn ouders en vriendinnen hadden het onderwerp zo veel mogelijk vermeden al die tijd, om mijn gevoelens te sparen. Maar daar had ik niets aan, want ik kon nog steeds niet autorijden! Hoe vaak had ik niet jaloers naar vriendinnen gekeken die in hun eigen auto de stad rond scheurden? Ik moest eindelijk een keer volwassen worden en mijn angst onder ogen zien.

Die dag heb ik besloten dat ik me niet meer laat kisten door mijn angst. Hoe moeilijk het ook was; ik ging er wat aan doen. Ik besloot een auto te kopen om te oefenen, dan kon ik er niet meer onderuit. Ik had intussen mijn rijbewijs uit de lade bij mijn ouders gevist, en samen met Milan ging ik de auto overschrijven. “Autorijden is leuk”, herhaalde ik in mezelf. “Heel de wereld kan het, en ik ook!” Al geloofde ik dat nog niet helemaal.
Oh, wat was ik trots als ik die auto voor mijn deur zag staan! Dat ik er nog niet in gereden had, gaf niks. Ik moest er mijn tijd voor nemen, zei Milan. Ik wilde er ook niemand bijhebben als ik voor het eerst ging rijden. Ik wilde me niet schamen of zenuwachtig worden voor degene die naast me zat. Ik wilde niet herinnerd worden aan het trauma met mijn vader. Ik ging dit gewoon zelf doen; ik had tenslotte mijn rijbewijs!

Sindsdien ben ik bezig met wat ik noem ‘mijn eigen rijcursus’. De eerste keer dat ik startte en wegreed, zal ik niet meer vergeten. Met bibberende knieën ging ik een rondje door de dertig kilometerzone rond mijn huis, en ik was zo trots als een pauw toen ik na tien minuten ongedeerd uitstapte. Dag na dag ging ik steeds een stukje verder, en na een week of drie reed ik over de snelweg naar mijn ouders toe. Die wisten niet wat ze zagen!
Er heeft inmiddels nog niemand naast me gezeten als ik reed, want daar heb ik nog steeds een hekel aan. Toen ik voor het eerst moest tanken deed ik het bijna in mijn broek, maar ik heb het gewoon gedaan. Ik zing voor de ontspanning luidkeels mee met de radio en vind mezelf verschrikkelijk stoer. De hele wereld kan autorijden, dat is waar, maar ik kan het toch maar mooi ook, al is het acht jaar na mijn rijexamen!

Advertenties

10 thoughts on “Graag heb ik jullie mening

  1. Het is te weinig in het heden om een duidelijk beeld van de vrouw zoals ze nu is te vormen.. haar openheid en oprechtheid zijn in ieder geval groot genoeg om haar sympathiek te noemen…

    boeiend geschreven in ieder geval!!!

  2. Hoi Mirjam,

    Ze is sympathiek en grappig en ze heeft zelfkennis. Het enige waar ik een klein beetje tegenaan hik is haar drijfveer om toch te gaan rijden. Haar vriend is nu de aanleiding, maar het lijkt nu alosf ze het alleen maar doet, omdat ze vindt dat het moet. Misschien is er toch nog een sterkere motivatie te vinden voor haar (haar vader is niet meer mobiel en wil zo graag nog een keer naar Madurodam bijvoorbeeld..)

    Maar potverdrie jij schrijft wel lekker zeg.

    Nou groeten, ook aan Ad,

    melle

    • Mijn opdrachtgever zond dit verhaal terug met als commentaar dat de vrouw ‘niet sympathiek’ genoeg zou zijn. In haar woorden: “Aan het eind van het verhaal heb ik namelijk een hekel aan de ik-persoon. Ze durft zich niet helemaal bloot te geven en uit te leggen wat dit alles met haar doet, maar gaat er dan op een semi-grappige manier omheen draaien. (Ik heb het papiertje van mijn rijbewijs opgehaald en ergens in een la gedouwd, waar het zes jaar ongebruikt heeft liggen stofhappen.)”

      Ik vond dat nogal confronterend, daar het over een (semi-) autobiografisch verhaal gaat. Ik heb het verhaal natuurlijk herschreven maar het is er in mijn opinie niet beter op geworden. Veel serieuzer en in mijn ogen larmoyanter. Ik twijfel eraan of dit aan mij ligt (ik kan soms ‘autistisch’- achtig zijn in mijn emoties en het zou niet goed zijn als dat mijn schrijven te veel beïnvloedde), of dat het ligt aan de doelgroep van de opdrachtgever, namelijk die van ‘Intens’; een ‘levensverhalen’-uitgave van de uitgever van Mijn Geheim.
      Ik ben geneigd om te zeggen dat zij er graag de emotie te dik bovenop leggen, maar ik wilde daar graag wat feedback op. Vandaar de vraag of jullie, als zijnde ‘random’ leden van het mensenras, mee konden gaan in de emoties van beschreven vrouw. Ja, dus.
      Dank je, vakbroeders, voor jullie commentaar! (Fred, jij vond het zelfs ‘herkenbaar’! Dat zegt genoeg!)
      (en Melle, ik heb me het hele weekend goed gevoeld door je compliment 🙂

      (overigens: jullie antwoorden doen niks af aan het feit dat de opdrachtgever het stuk herschreven wilde hebben: “u vraagt, wij schrijven” is mijn motto. Er ligt natuurlijk wel ergens een grens, maar die ligt niet hier 😉

  3. Dit stuk doet mij ook denken aan het taboe van rij-angst…En ja…de vraag op welke leeftijd je het beste rijlessen kunt nemen. Ik begon pas op mijn 25e…Niet alle ouders hebben het geld en de zin om hun kinderen lessen kado te doen…
    Als je net je rijbewijs hebt is de kans op ongelukken het grootst. dat betekent omgaan met teleurstellingen….Nouja en ik heb weleens het idee dat we daar steeds minder op voorbereid worden in deze maatschappij van vooruit-willen….haasten en je bewijzen!

    Ik ben zelf ook freelancer.
    Ben je trouwens familie van Mona van Zelst?

    • Het schijnt heel vaak voor te komen, Petra, rijangst. Als je bedenkt hoeveel mensen met geknepen billen over de snelweg rijden, dan voel je je misschien niet zo veilig meer…
      Oh, en nee, er zit voor zover ik weet geen ‘Mona’ in mijn familie. waar komt ze vandaan?

  4. Hier volgt de reactie van een vriendin die liever anoniem blijft 😉 :

    “Ik had nog een ingeving bij dat verhaal over die vrouw met die rijangst.
    Volgens mij (maar ik ben een leek) had die angst of meer naar voren moeten komen (dus hoe erg die angst voor haar was, met paniek of zo, of had ze meer als een duidelijke zeur neergezet moeten worden. Nu hing het een beetje in het midden. Ben benieuwd naar de geplaatste versie en wat daar dan anders aan is!”

    JACKPOT! Dat was het. Maar dat is natuurlijk niet moeilijk voor een psychologe…

    Het is raar dat ik in stukken waarin ik nadrukkelijk geen zeur wil zijn (door grappen te maken over mijn angsten en de gevoelens zelf hooguit te beschrijven en er niet te veel op in te gaan), overkom als een zeur. Ik vind mezelf juist een zeur als ik uitleg geef aan mijn gevoelens en er te diep op in ga. Pfff, ik snap gevoelens niet!

  5. Sorry, hoor, dat ik jullie verveel met de ins en outs van mijn gevoelsleven, maar kreeg weer een reactie van de psychologe:

    “ik herken het wel van je, dat je jezelf niet altijd serieus neemt in je gevoelens. Ik dacht dat dat met schrijven juist makkelijker was, dan kun je je achter een personage verschuilen. Je kunt bewust kiezen zeg maar. terwijl dat in het echte leven vaak vertroebelt. Maar als een personage dicht bij jezelf in de buurt komt is dat misschien moeilijker?
    Nou, ik heb nog wel plek in mijn agenda voor een sessie ;-)”

    Ik heb gemerkt dat hoe dichter een personage bij mezelf komt, hoe vaker ik de opmerking krijg dat ‘ze zeurt’. Terwijl ik goede reacties krijg op verhalen met ‘geleende’ gevoelens. Ik ben blijkbaar zorgvuldiger in het omschrijven van de gevoelens van een ander, dan in die van mezelf.

    Maar wat ik me serieus altijd afvraag, is hoe je kunt zeuren als je jezelf niet zo serieus neemt. Het zijn toch juist mensen die zichzelf heel serieus nemen die zeuren?

    Wat is ‘zeuren’ nou eigenlijk?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s